Doel van het onderzoek

Wat is het doel van dit onderzoek?

In deze studie willen we een beter zicht krijgen op de beleving van ouderschap bij mensen die hiervoor een medische behandeling (hebben) ondergaan, en willen we inzicht krijgen in hoe mensen die betrokken zijn bij medische geassisteerde voortplanting hun rol beleven. Hiervoor doen we een beroep op de ervaring van de mensen zelf. Het uitgangspunt van dit onderzoek is dat zij de experten zijn in deze materie. De finale doelstelling is om aan de hand van de empirische data (de interviews) tot inzichten te komen die het beleid en de ethiek rond medisch begeleide voortplanting kan informeren.

Tijdens de interviews werd er ingegaan op volgende onderwerpen:

  • De genetische en niet-genetische band (zowel sociaal als psychologisch) tussen ouders en kinderen;
  • De morele rechten en verantwoordelijkheden van de betrokken partijen (deontologische punten);
  • Het welzijn van alle betrokken partijen (deze varieerden per ‘type’ familie) en voornamelijk het belang van het kind (utilitaristische punten);
  • Hoe deze percepties beslissingen van de wensouders beïnvloeden.

We includeerden volgende participanten:

  • Wensouders (in behandeling): lesbische koppels die gebruik maken van spermadonatie, heteroseksuele koppels die gebruik maken van gametendonatie (zowel sperma- als eiceldonatie) en heteroseksuele koppels die gebruik maken van eigen gameten;
  • Ouders (x-jaar na een succesvolle behandeling): lesbische koppels en heteroseksuele koppels die gebruik maakten van spermadonatie, heteroseksuele koppels die gebruik maakten van anonieme of gekende eiceldonatie en koppels van transmannen met vrouwelijke partner die gebruik maakten van spermadonatie. (Alle koppels hadden op het moment van de interviews ten minste één kind tussen 7 en 10 jaar);
  • Kinderen van de bovenstaande groep ‘ouders’ (mits toelating van de ouders);
  • Donoren: de gekende eiceldonoren gelinkt aan bovenstaande groep ‘koppels die gebruik maakten van gekende eiceldonatie’ (mits toestemming van de koppels om hun donor te contacteren).

Welke methode werd er gebruikt?

We onderzochten hun ervaringen via kwalitatieve interviews waarbij er geen strikte vragenlijst werd gehanteerd. De participanten stuurden mee het interview en gaven het mee vorm door hun visies te delen. Er was ruimte voor zowel ervaringen rond de (voorbije) behandeling als voor opvattingen over thema’s die verband houden met ouderschap en rechten en plichten van ouders en andere leden van gezinnen die tot stand kwamen door een fertiliteitsbehandeling. De data werd geanalyseerd door middel van thematische analyse en de Interpretative Phenomenological Analysis (IPA). De resultaten van de analyses werden vergeleken met de bestaande literatuur om zo bij te dragen aan de definities van concepten rond ouderschap en medisch begeleide voortplanting.

 

Waarom een empirische bio-ethische benadering?

Een deel van de medisch begeleide voortplantingstechnieken maken gebruik van donorgameten. Dit wil zeggen dat er mensen genetisch materiaal doneren waaruit kinderen voortkomen, zonder dat zij zelf ouder zullen zijn van die kinderen. Dit wil ook zeggen dat er mensen zijn die ouder zullen zijn van kinderen zonder dat hun eigen genetisch materiaal daarvoor werd gebruikt. Het gebruik van deze technieken doet meerdere ethische vragen rijzen. De ‘ethiek’ probeert doorgaans antwoorden te formuleren op deze vragen door zich te beroepen op morele regels en principes die gejustifieerd worden door normatieve theorieën. De belangrijkste kritiek op deze methode is dat dergelijke normatieve redeneringen heel ‘abstract’ of erg 'theoretisch’ zijn. De normatieve principes en richtlijnen die gevormd worden sluiten hierdoor vaak niet aan bij de ervaringen en visies van de mensen in het veld.

In plaats van theoretische modellen uit te denken, hanteren we in dit onderzoek de empirische bio-ethische benadering. Het startpunt van deze benadering is de overtuiging dat de bestaande regels een aantal elementen negeren, die door de mensen zelf moreel belangrijk geacht worden. Normatieve richtlijnen kunnen en moeten gebaseerd zijn op een beter begrip van de morele visies van de betrokken personen.